Page images
PDF
EPUB
[ocr errors]

geest moeten onderdoen. Doch neen; laat alwat geleerd, half en quasi geleerd is, mij aanvallen, ik zal nochtans, gelijk een oude eik, mij tegen al de stormen manmoedig verzetten ; opdat, wanneer nu al eens de eik onderdrukt wordt, gene schaduw meer biedt, en ontworteld daar ter neder ligt, men dan nog altijd zal kunnen zeggen : het was

een eik.

Ik weet, mijne stem is die van enen roependen in de woestijne; doch ik weet tevens, dat zij goed is, en eenmaal vruchten zal moeten voortbrengen; ik weet, dat, buiten het tegenwoordige platte land van Friesland , het Sagelterland en de Noordfriezen, mijne stem in het aloude Friesland, van af Ostende langs de zee tot aan de Wezer, als verloren, niet gehoord, wat meer is, met minachting zal behandeld worden; en moet ik mij niet bedroeven, aan de wereld te moeten zeggen, dat zij met de zo even genoemde streken ene en dezelfde taal gesproken

een en het zelfde volk hebben uitgemaakt? Doch alhoewel het meestendeel ontaard is, zo zijn er noch loten uitgeschoten, waarvan wij thans noch de vruchten zien. - Is het niet het trotsche Engeland , het zich meer en meer door bevolking uitbreidende NoordAmerika, waar wij onze taal noch in ene

veranderde uitspraak horen ? En willen zij eenmaal trotsch op hunne taal zijn, dan moeten zij de Friesche hare moeder noemen.

Heeft Duitschland in het noordelijke, de ingedrongene Hollandsche graven in het zuidelijke Friesland, door hunne overheersching de aloude moedertaal verdrongen, nimmer hebben zij zich ten aanzien der taal meester kunnen maken der, zo even genoemde streken, dat zij door hun gezach dezelve deden te niete gaan. Het tegenwoordig Friesland , onder vreemde vorsten levende, heeft noch altijd deszelfs taal in den mond zijner bewoners behouden. De Sagelterlanders, reeds in 1252 onder het beheer der graven van Tekelenburg, door veden tusschen hen en de bisschoppen van Osnabrug en Munster aan laatstgemelden gekomen, doch thans den westelijken uithoek van het uitgestrekte, maar weinig bevolkte, groothertogdom Oldenburg uitmakende, thans tot een stipje gebracht, en niet meer dan ene bevolking van twe duizend zielen bevattende, omringd door moerassen; hebben zich mede aan die verwoesting onttrokken, en spreken alsnoch hunne aloude Friesche taal: zij leveren een bewijs op, wat eendracht vermach; en men kan van hen met waarheid zeggen: het is één volk, één huis

is ;

gezin, ja een zuiver overblijfsel van het aloude Friesland. Ook de Noordfriezen, ene streek gronds, weinig door vreemdelingen bezocht, bewonende, mocht dit geluk te beurt vallen, en zij kunnen trotsch op hunne afkomst zijn.

Dáár is het, mijne landgenoten! waar noch een zweem van uwe aloude grootheid overig

dáár schemert noch een lichtje van uwen zo helder gebrand hebbenden fakkel :'-- zij is noch niet uitgedoofd, en uwe medewerking kan de vernieling, die haar, thans meer dan ooit, bedreigt, niet alleen tegengaan, maar gij kunt medewerken, om haar op nieuw te doen ontbranden, haar haren vorigen luister weder te geven.

Men heeft u willen wijs maken, dat uwe taal gene waarde had; dat zij niet eens onder de beschaafde talen konde gerekend worden ; als een ingedrongen iets, uit eigene inzichten, zonder regels of orde was daargesteld. Wélaan! ik zal u bewijzen , dat zij in oudheid en belangrijkheid voor gene der Germaansche, ja zelfs niet voor de Islandsche en de haar verwante talen, die ik grootendeels van uit dezelfde bron en nauw met haar verwant beschouw, behoeft onder te doen.

Zo ik voor geletterden alleen schreef, zou

het genoeg zijn, hen naar deze Spraakleer zelve te verwijzen, door enen onvergelijkelijken taalonderzoeker, mijnen hooggeschatten vriend en leermeester in die taal, opgesteld ; doch het zullen misschien niet allen gelet-, terden zijn, en daarom zal ik hier er iets meerder over moeten zeggen.,

De Friezen, reeds ten tijde der Romeinen als natie, zowel als de Saksers, bekend , hadden ten dien tijde reeds hunne taal, die, zonder twijfel , wat de uitspraak betreft , weinig van de Saksische zal verschild hebben : immers, wanneer wij de oude gedenkschriften derzelve, die noch voorhanden zijn, nagaan,

dan ontdekken wij spoedig hare nauwe overeenkomste beoordelen wij het werktuiglijke of de door tekens opgegevene klanktaal, dan noch vinden wij de nauwste overeenstemming ; en hadden wij de oudere letteren , de Runische, dan zouden wij zonder twijfel ene en dezelfde schildering aantreffen en haar, naar mate ons spraakorgaan toeliet, gelijkelijk uitspreken. De latere letteren, bij deze of gene volkeren, op deze of gene wijze in gebruik, hebben hier, in den uiterlijken vorm, vele veranderingen te weeg gebracht, grotendeels ook door de aanraking met andere volken ontstaan. Zo vinden wij in het oud-Saksisch de zucht, om door

opeenhoping van letteren de spreektaal aan anderen duidelijker te maken; in de Islandsche en de haar verwante talen ontdekken wij wederom ene overhelling naar de Lettische, Slavische en Finnische, en hunne woordvormingen dan overeenstemmende , dan wederom van de onze afwijkende. Veel heeft het physiek van den mensch hierop gewerkt; veel ook is door onkunde der letteren er in gekomen, en zulks is voornamelijk het geval in de latere tijdperken. In 't Friesch in tegendeel vindt men zulks, wanneer wij de oudere stukken nagaan, bijna niet; ik ken gene Germaansche taal, die in kortheid, duidelijkheid en in schrijfwijze hierbij in aanmerking kan komen ; en iemand, der zake kundig', kan, zonder de minste moeite, zo als ook Professor Rask in deze zijne Spraakleer bewezen heeft, de waarde der letteren in de klanktaal opgeven, daar het in de andere altijd, door hunne zamengestelde schrijfwijze, raadselachtig blijft.

In deze taal zijn de aloude werkwoorden van ene sylbe noch menigvuldig: ga, gaan , waarvan het frequentativum gonga of ga in het noordelijke, genga en gung a in 't zuidelijke gevonden wordt; sia, zien; fa, vatten, waarvan het frequentativum fatta; sla, slaan, waarvan wederom slaga,

gan

« PreviousContinue »